Door de ogen van een kind 3 | verhaal

Jozef, Maria en het het kindje Jezus! Tijdens de logeerpartij in Renderloo gingen we op een mooie dag met oom en tante, en nog een heleboel andere mensen, pannenkoeken eten in de Ossenstal in Epe. Iedereen ging aan tafel zitten en ik kreeg een stoel naast tante Mini. Ze was druk in gesprek met een mevrouw die aan de andere kant van haar zat. Ik probeerde op verschillende manieren haar aandacht te trekken, want ik had een prangende vraag. Tenslotte trok ik aan haar arm, zodat ze wel moest reageren. Ze draaide zich naar mij om en vroeg me wat er aan de hand was. Eindelijk kon ik de vraag stellen die me zo bezig hield. Ik vroeg haar waar Jozef en Maria waren en het kindje Jezus. Mijn lieve tante keek me enigszins wezenloos aan. Ze had geen idee waar ik het over had. Ik probeerde haar uit te leggen dat we in de Ossenstal waren, waar ook Jozef en Maria moesten zijn. Daar had ik al zoveel verhalen over gehoord, dat hoorde zij toch ook te weten. Ik was verbaasd dat zij en al die andere mensen hier zomaar rustig aan tafel zaten. Waarom gingen we nu niet met elkaar op zoek naar het kindje dat in de stal geboren was? Het leek wel of mijn tante totaal niet wist waar ik het over had. Ik kreeg dan ook geen bevredigend antwoord en dus zat er maar één ding op, ik moest zelf op onderzoek uit. Ik wipte van mijn stoel af en ging op zoek. Op zoek naar het kindje Jezus. Elke keer wanneer ik een deur opendeed verwachtte ik Jozef, Maria en het kindje te zien en natuurlijk de os en de ezel. Maar in welke kamer ik ook keek, ze waren en bleven onvindbaar. Hevig teleurgesteld ging ik terug naar mijn tante. Ik snapte er helemaal niets van. We waren toch in de Ossenstal en daar hoorde het Bijbelse drietal ook te zijn. Ik heb geen moeite meer gedaan om mijn tante deelgenoot te maken van mijn gedachten. Het was wel duidelijk dat de pannenkoeken die op het hoofdmenu stonden haar meer bezighielden dan Jozef en Maria met het kindeke. Grote mensen zijn voor kleine kinderen moeilijk te begrijpen. De meeste grote mensen die in mijn wereld rondliepen, waaronder ook mijn tante, hielden mij vaak voor dat Jezus heel belangrijk was. Hier, notabene in de Ossenstal, leek Jezus er weinig toe te doen, maar de pannenkoeken des te meer. Hoewel  pannenkoeken, normaal gesproken, aan mij goed besteed waren, kon ik er in de Ossenstal toch niet van genieten. De pannenkoeken waren voor mij van ondergeschikt belang, maar daarin leek ik toch wel de enige te zijn. Ik had heel sterk het gevoel dichtbij iets bijzonders te zijn terwijl het helemaal aan mij voorbij leek te gaan. Opnieuw bleek dat mijn tante echt te oud was om de gedachtegang van een zesjarig meisje te begrijpen.  

Het heeft nog heel wat jaren geduurd voordat ik op de vragen van toen een bevredigend antwoord kreeg en ik uiteindelijk begreep dat de Ossenstal (zonder één enkele os) slechts een naam voor het pannenkoekrestaurant was en niets maar dan ook helemaal niets te maken had met de stal waar Jezus geboren was. 

Tige Tank | gedicht

Tige tank
Welt in mij naar boven
Met deze Friese jubelklank
Wil ik danken en loven
De Heer van mijn leven
Voor zijn zegen
Die Hij heeft gegeven
Bij zonneschijn en regen
Hij is mijn rijkdom
‘k Vraag niet meer
Naar het hoe, waarom
En wanneer
Hij is, was en zal
Van heel nabij
Alles in al
Van voorbij
Is de tijd
Zo niet Hij
Grote dankbaarheid
Doorstroomt mij
Voor tijd en eeuwigheid

 

Hart tegen hard | gedicht

Verbroken
Vriendschap
Ontloken
Vijandschap
Jaloezie
Irritatie
Onverdraagzaamheid
Zelfgenoegzaamheid
Een verhard
Hart
Uitgesproken en
Onuitgesproken
Kille woorden
Smoorden
Griefden
De liefde
Slechts hart
Tegen hard
Is in staat
Alle kwaad
Te bezweren
Te elimineren
De liefde verzacht
Geeft kracht
Verbindt
En overwint

Door de ogen van een kind 2 | verhaal

Mijn nichtje! Mijn nichtje Wilma en ik mochten in de grote vakantie samen een week met onze tante en oom mee naar een heel groot vakantiehuis waar veel meer grote mensen en kinderen waren. Wilma en ik waren al zes jaar en groot genoeg om zonder onze vader en moeder op vakantie te gaan. We reisden helemaal van Twente naar Renderloo en dat was een heel eind weg. Onze oom en tante hadden zelf geen kinderen en daarom vonden ze het leuk om af en toe hun nichtjes bij zich te hebben. Ik was met oom en tante meegekomen en Wilma werd op een iets later tijdstip gebracht. We sliepen samen heel gezellig op één kamer, maar al vanaf het eerste begin had mijn nichtje last van heimwee. Door tante Mini werd dit woord uitgelegd als ‘verlangs naar haar moeder’. Wilma huilde veelvuldig en och wat had ik een medelijden met haar. In tegenstelling tot mijn nichtje vond ik het super spannend om een week met zoveel andere kinderen spelletjes te doen onder de bezielende leiding van oom Renger en had dan ook geen last van ‘verlangs naar mijn moeder’. Na verloop van tijd bedaarde Wilma dan toch en hadden we het heel plezierig zo saampjes op onze kamer. Tot we ’s avonds op bed lagen en ik op een gegeven moment bedacht dat Wilma blijkbaar geen ‘verlangs meer naar haar moeder’ had. Ik vond het van gepast meeleven getuigen om daar toch nog even naar te informeren. Toen ik echter aan haar vroeg of haar ‘verlangs naar haar moeder’ nu over was, begon Wilma weer hartverscheurend te huilen. Ik ging rechtop in bed zitten, verbaasd, maar ook geschokt vanwege het heftige verdriet dat plotseling weer zichtbaar en hoorbaar was. Toen het huilen aanhield bleef mij niets anders over dan tante Mini erbij te roepen. In mijn nachtponnetje trippelde ik over de gang naar de zaal, waar heel veel grote mensen bij elkaar zaten, om mijn tante op te halen. Volkomen onschuldig vertelde ik haar wat er aan de hand was en ook over mijn aandeel in dit, opnieuw, grote verdriet van mijn nichtje. Tante Mini keek mij hoofdschuddend aan en vond mij dom, heel erg dom. Dit ging mijn verstand te boven. Ik had alleen maar aardig voor Wilma willen zijn en ik snapte niet wat haar huilbui nu met mijn vraag te maken had en ik snapte al helemaal niet waarom mijn tante mij als dom, heel erg dom betitelde. Mijn kinderlijk brein bedacht dat mijn tante het allemaal niet goed begrepen moest hebben en daarom zelf misschien wel een beetje dom reageerde. Ik nam haar dat helemaal niet kwalijk, want per slot van rekening was ze een hele ‘oude’ tante, ze was zeker veel ouder dan 30 jaar. Desalniettemin vond ik haar toch een hele lieve tante, al begreep ze haar zesjarige nichtje niet zo goed. Grote mensen en kleine kinderen, een wereld van verschil.

 

Vrede op aarde | gedicht

Vrede op aarde
In mensen een welbehagen
Woorden van weinig waarde
In deze tijd van onbehagen
Van onvrede
En eigen belangen
Of zijn deze woorden een bede
Een liedje van verlangen
Naar de nieuwe eeuw
Waar koe en kind
Slang, lam en leeuw
Eensgezind
Samen zijn
Waar alle pijn
En verdriet
Vergeten zijn
Daar klinkt het lied
Als een lieflijk refrein
Vrede op aarde
In mensen een welbehagen
Woorden van eeuwige waarde
Geen onbehagen
Onvrede of eigenbelang meer
Voor altijd
En zonder meer
Voorgoed verleden tijd
Een nieuwe monarchie
Waar de Heer der Heren
In onvergane glorie
Voor eeuwig zal regeren

 

 

 

 

 

 

 

Uit het leven gegrepen 1 | verhaal

Op een koude dag in november wenden we onze autosteven naar Twente. Na een lange autorit parkeren we onze bolide en we stappen uit. Eerst de spullen op de achterbank bij elkaar graaien waarna manlief de achterklep opent om nog een laatste tas mee te pakken. Ik hoor ineens de uitroep ‘oh, nee toch’ begeleidt met een plons. Dit doet mij het ergste vermoeden. Ik kijk naar de plek waar manlief in wanhoop zijn ogen ten hemel heft, alsof hij eerste hulp bij ongelukken van boven verwacht. Ik roep hem naar de aarde terug en vraag hem wat er aan de hand is. ‘De sleutel, de sleutelbos’ zichzelf corrigerend, kreunt hij. Het is me nog niet duidelijk, maar naar hem toelopend zie ik het rooster achter de auto. Een putdeksel met grote gleuven voor afvoer van overtollig water en blijkbaar nu ook voor de afvoer van onze sleutelbos. Onze sleutelbos waar de sleutels van de auto aanzitten, de sleutels van ons huis en de sleutels van onze tandem. Het is koud en winderig en ik krijg kippenvel, alhoewel het weer niet de directe oorzaak is. Manlief en ik kijken elkaar nu met grote ogen aan. We staan bij een geopende auto, die niet meer op slot te krijgen is, maar waar ook niet meer mee gereden kan worden. We hebben wel reservesleutels, maar die liggen ongeveer tweehonderd kilometers van ons verwijderd in een laatje van een kastje in ons huis. Goede raad is duur. Is de sleutelbos uit de put te vissen, uit het riool? Onbegonnen werk denken we. Welke attributen hebben we nodig om dit huzarenstukje uit te voeren. Eén en ander wordt geopperd, maar niets lijkt een bruikbare optie te zijn. Dan zie ik tot mijn verbazing dat manlief zijn dikke jekker uittrekt. Ik stel de vraag wat hij van plan is te doen en maak de opmerking dat de temperatuur maar net boven het vriespunt is. Het is te koud om zonder jas buiten te zijn. Terwijl ik praat en hij niets zegt, zie ik dat de trui ook uitgaat en tot slot zijn overhemd. Daar staat hij dan in zijn hempie. Niet alleen de haren op zijn hoofd, maar ook de haren op zijn borst en armen staan rechtovereind van de wind en van de kou. Ik maak tegenwerpingen, maar tevergeefs. Manlief tilt het putdeksel omhoog en gaat languit op de grond liggen, alsof hij wil gaan genieten van de zonnestralen die er niet zijn. Na een poosje met zijn lange armen in de dikke brij en het smerige water rond te hebben gewoeld, slaakt hij een luide kreet. Hij steekt zijn armen omhoog en zie daar……. hij heeft zowaar onze dierbare sleutelbos in zijn hand. De armen van manlief bleken lang genoeg te zijn om de bodem van de put te bereiken en daar onze sleutelbos uit op te vissen. Zo snel hij kon maakt hij zijn armen schoon en droog. Trekt vervolgens als de wiedeweerga zijn kledingstukken weer aan. De aaaah’s en ooooh’s zijn niet van de lucht. We kunnen er niet over uit dat, in een relatief korte tijd, we van een toch redelijke wanhopige staat, in redelijke extatische staat waren geraakt.

Dit voorval riep herinneringen bij ons op aan een ver vervlogen verleden. De tijd waarin we alles gereed maakten voor ons aanstaande huwelijk. Toen we ons eerste bed wilden kopen, liet de aanstaande bruid in een winkel haar tasje staan, waarin zich haar portemonnee met 800 gulden bevond. Voordat zij haar verlies bemerkte en voordat ze weer bij haar ouders arriveerde, hadden de eerlijke vinders zich al gemeld.

Toen we in diezelfde tijd van de wal op ons toekomstig schip wilden stappen, viel de portefeuille van de aanstaande bruidegom met waardevolle papieren en veel geld tussen wal en schip. Echter ver beneden in de diepte op het water dreef een plank en…………de portefeuille was uitgerekend op die plank neergedwarreld. Na een paar keer hengelen kregen we de portefeuille weer bovendeks.

Meer geluk dan wijsheid, toch?

Door de ogen van een kind 1 | Verhaal

De hond! Tijdens één van de logeerpartijtjes bij mijn oom en tante in Enschede, ik moet een jaar of zes geweest zijn, ging ik met mijn tante Mini boodschappen doen. Mijn tante deed nogal wat inkopen en op de terugweg liep ze dan ook met aan elke hand een goed gevulde tas, terwijl ik al kwebbelend naast haar liep. Heel onverwachts werd ons gezellige praatje wreed verstoord door een blaffend en keffend hondenbeest, want om de hoek verscheen een in mijn kinderogen verscheurend monster dat met hels kabaal op ons afvloog. homepage_hond_jack_russelHij dolde om ons heen en zonder me ook maar een moment te bedenken, sprong ik tante Mini achter op de rug. Mijn primitieve angst voor alle soorten honden, van heel groot tot heel klein, deed mij als zesjarige instinctief reageren. Ik sloeg mijn handen om haar hals en wilde mijn benen optrekken, zodat het woest uitziende hondenbeest mijn kuiten niet te pakken kon krijgen. Aangezien mijn lieve tante niet gezegend was met veel lengte, bleek deze actie geen succes. Met geen mogelijkheid kreeg ik mijn benen gelijktijdig van de grond. De oorzaak moet niet alleen in de lichaamslengte van mijn tante gezocht worden, omdat zij ook op geen enkele manier haar medewerking verleende aan deze actie. Ze kreeg het blijkbaar benauwd en al waggelend liet ze uiteindelijk beide tassen met de boodschappen vallen, ze kon zich ternauwernood staande houden. Mijn tante had geen enkel oog voor het rondvliegend projectiel, maar ook geen oor voor mijn toch heel plausibele uitleg. Naar adem snakkend probeerde ze mij aan het verstand te peuteren, dat ze mijn acrobatische toer absoluut niet op prijs stelde, mijn aversie voor honden ten spijt. Ik stond ondertussen letterlijk en figuurlijk weer met beide benen op de grond. Zowel tante Mini als ik hadden even tijd nodig om van de schrik te bekomen, waarna we zwijgend de boodschappen weer bij elkaar raapten en terug in de tassen deden. De oorzaak van dit hilarische intermezzo, kennelijk ook geschrokken van alle ontstane commotie, ging er met de staart tussen de poten vandoor. Mijn tante en ik  vervolgden onze weg, zij met aan elke hand weer een goed gevulde tas en ik, ik liep nu in alle stilte naast haar, nog steeds diep onder de indruk van het gebeurde. Ik was aan een groot gevaar ontsnapt en mijn snelle reactie had daar aan bijgedragen. Ik begreep niet dat mijn tante dat niet begreep, maar ik zou niet meer mijn best doen het haar uit te leggen, o nee. Grote mensen willen niet dat kleine kinderen hen iets uit moeten leggen, want grote mensen denken dat ze alles snappen en dat is niet zo, o nee. Ik wist wel beter.